HET
 SECTORWERKSTUK
HANDLEIDING 
VOOR 
LEERLINGEN

Inhoudsopgave

Wat is een sectorwerkstuk?.. 2

Wat is de bedoeling?.. 2

Telt het sectorwerkstuk mee voor het examen?.. 2

Het logboek. 2

De documentatiemap.. 3

Het stappenplan voor het sectoronderzoek. 4

Hoe maak je een sectorwerkstuk?.. 4

Het stappenplan. 4

Parafenlijst 5

Een groep samenstellen en groepstaken verdelen. 8

Stap 1: Het onderwerp bepalen en achtergrondinformatie verzamelen. 9

Inleiding.. 9

Een onderwerp kiezen. 9

Oefeningen.. 10

Zelf achtergrondgegevens verzamelen over je eigen onderwerp. 10

Stap 2: De hoofdvraag opstellen.. 11

Stap 3: De deelvragen opstellen.. 11

Stap 4: De presentatievorm kiezen.. 13

Stap 5: Een werkplan maken.. 13

Stap 6 Het onderzoek uitvoeren en de deelvragen beantwoorden.. 14

Een vragenlijst maken voor een interview of een enquête. 14

De enquête of het interview afnemen en uitwerken.. 15

Een brief opstellen en versturen.. 15

Bronnen raadplegen. 15

De beantwoording van de deelvragen.. 16

Stap 7: De conclusies uit je onderzoeksgegevens trekken.. 16

Een informatieposter maken. 17

Een artikel schrijven. 18

Stap 8: De voorbereiding van de presentatie. 19

Stap 9 De presentatie. 20

Stap 10: De evaluatie van je werkzaamheden.. 20

Stap 11: De beoordeling door de docent 20

 


Inleiding

Tijdens de lessen keuzebegeleiding dacht je na over je opleiding na het vmbo en over je latere beroep. Vorig jaar maakte je een interessetest, bezocht je de opleidingenmarkt en nam je deel aan het sollicitatieproject. Dit jaar neem je deel aan de MBO-week én maak je een sectorwerkstuk. Het komt regelmatig voor dat leerlingen na het vmbo een opleiding kiezen en na een paar maanden ontdekken, dat de gekozen opleiding eigenlijk helemaal niets voor ze is. Zo een situatie moet je zien te voorkomen. Het sectorwerkstuk kan je daarbij helpen.

Wat is een sectorwerkstuk?

Een sectorwerkstuk is een onderzoek in de sector, waarin je verder wilt studeren. Daarvoor heb je een onderzoeksvraag nodig. Door bijvoorbeeld een proef te doen, een bedrijf te bezoeken, naar een school te gaan of door literatuur te lezen, vind je het antwoord. En uiteindelijk presenteer je aan anderen wat je hebt gevonden.

Wat is de bedoeling?

Je laat met je onderzoek zien wat je de afgelopen jaren op Thomas More hebt geleerd. Niet je kennis, want die toetst de school op het examen. Het gaat bij dit onderzoek om de vaardigheden: kun je goed samenwerken, kun je omgaan met gevonden gegevens, kun je een brief schrijven, kun je een interview en een enquête afnemen, kun je het werk goed plannen, kun je goed gebruik maken van taal, kun je  goed presenteren, kun je nadien terugkijken hoe je hebt gewerkt? Juist met deze vaardigheden kun je in de toekomst meer. Dit alles toetsen de docenten met het sectorwerkstuk. Ondertussen doe jij ervaring op met de sector waarin jij verder wilt en leer je deze beter kennen.

Telt het sectorwerkstuk mee voor het examen?

De docenten beoordelen je resultaat en je manier van werken. Tijdens de begeleiding bespreekt de docent steeds met jou of je op de goede weg bent door middel van het go/no go systeem. Met andere woorden: je mag alleen verdergaan na goedkeuring. Als je werk geschikt is voor de presentatie krijg je daar ook een beoordeling voor.

Het totaal levert je de beoordeling “goed” of “voldoende” op. Deze beoordeling komt op de cijferlijst van je diploma te staan. Het behalen van de beoordeling “voldoende” is een zogenaamde diplomeringsvoorwaarde. Dus bij een onvoldoende resultaat krijg je geen diploma.

Het logboek

In het logboek moet je alles wat je doet voor het sectorwerkstuk verantwoorden en documenteren. Elke keer als je voor je sectoronderzoek iets doet, heet dat een sessie, Van elke sessie maak je een verslag in je logboek. Dit wordt elke dag gedaan als afsluiting van de dag.

 

Wat moet er in dat verslag staan?

 

Voor het verslag worden logboekformulieren verstrekt.

Alle formulieren komen in een map, je documentatiemap.

De producten voeg je er als bijlage aan toe.

 

De documentatiemap

Elke deelnemer heeft een documentatiemap. Deze is verdeeld in secties.

De eerste sectie bevat het logboek en de producten van de eigenaar van de map.

Deze sectie heeft een titelblad met

·        het onderwerp

·        de naam van de eigenaar

·        de namen van de overige deelnemers..

De eerste sectie bevat geen kopieën of afdrukken, maar alleen met de hand geschreven documenten.

 

Na de eerste sectie volgt er een aantal secties voor het werk van van de overige deelnemers, elke sectie bevat een titel blad met de naam van de desbetreffende deelnemer.

Dan volgt de laatste sectie, met werk dat gezamenlijk is geproduceerd.

 

In de documentatiemap komen uitsluiten stukken die door de deelnemers zelf zijn geproduceerd.

Wat zijn dat voor producten.?

Bijvoorbeeld:

 

 

De documentatie map moet uit n+1 secties bestaan, waar n=het aantal deelnemers in jouw groepje. Voor elke deelnemer is er een aparte sectie, waarin producten komen die door die deelnemer in zijn eentje, geheel alleen zijn gemaakt.

De laatste sectie bevat de vruchten van gezamenlijke arbeid. De mappen van de deelnemers van een groep moeten geheel dezelfde inhoud hebben (alleen de volgorde kan verschillen).

 


Het stappenplan voor het sectoronderzoek

Hoe maak je een sectorwerkstuk?

Om een sectorwerkstuk te maken, moet je een groot aantal handelingen verrichten. Hieronder vind je een opsomming van een groot aantal van deze verrichtingen.

·        Een groep formeren

·        Een onderwerp kiezen.

·        Achtergrondgegevens verzamelen.

·        Artikelen samenvatten.

·        Een onderzoek opzetten en uitvoeren.

·        Hoofdvragen en deelvragen opstellen.

·        Een interview opstellen, afnemen en uitwerken.

·        Een enquête maken, afnemen en uitwerken.

·        Onderzoeksgegevens verwerken en conclusies trekken.

·        Informatieposter maken.

·        Feiten en meningen onderscheiden.

·        Een eigen mening met argumenten omkleden.

·        Een essay schrijven

·        Een presentatie houden

·        De manier van werken (het proces) beoordelen.

·        De producten beoordelen.

·        Een terugblik doen.

 

Al deze verrichtingen worden uitgevoerd volgens het stappenplan.

Bij het uitvoeren van elke stap maak je gebruik van de werkwijzer.

Iedere keer als je een onderdeel hebt afgerond, moet je een paraaf halen bij je begeleider.

Het stappenplan.

De oriëntatiefase.

Stap 1: Het onderwerp bepalen en achtergrondinformatie verzamelen.

Stap 2: De hoofdvraag opstellen.

Stap 3: De deelvragen opstellen en het soort onderzoek vaststellen.

Stap 4: De presentatie kiezen

Stap 5: Een werkplan maken (de taken verdelen)

De uitvoering.

Stap 6: Het onderzoek uitvoeren en de deelvragen beantwoorden.

De Conclusie

Stap 7: De conclusies uit je onderzoeksgegevens trekken.
            een informatieposter maken
            een essay schrijven

Presentatiefase

Stap 8: De voorbereiding van de presentatie.

Stap 9 De presentatie uitvoeren

Evaluatie

Stap 10: Terugblik op en evaluatie van je werkzaamheden

Stap 11: De beoordeling door de docent

Parafenlijst

 

Naam:___________________________________________  klas: __________________

 

 

Onderdeel

Datum

Tijd

Paraaf

        1)            Groep samengesteld

 

 

 

        2)            Taken verdeeld

 

 

 

        3)            Map indelen

 

 

 

        4)            Stap 1:

                         a)            rotonde

 

 

 

                         b)            tweede ronde; onderwerp gekozen

 

 

 

                          c)            Oefening

 

 

 

        5)            Bronnenlijst aanleggen

 

 

 

        6)            Samenvattingen

                         a)            Website

 

 

 

                         b)            Boek

 

 

 

                          c)            Tijdschrift

 

 

 

                         d)             

 

 

 

                         e)             

 

 

 

        7)            Hoofdvraag en deelvragen formuleren

                         a)            hoofdvraag

 

 

 

                         b)            Deelvragen opstellen

 

 

 

                          c)            Soort onderzoek vaststellen

 

 

 

        8)            Voorlopige presentatievorm kiezen

 

 

 

        9)            Werkplan opstellen

 

 

 

    10)            Onderzoek uitvoeren

 

 

 

    11)            Conclusies trekken

                         a)            Deelvragen beantwoorden

 

 

 

                         b)            De conclusie: de hoofdvraag beantwoorden

 

 

 

                          c)            Eigen mening formuleren en beargumenteren

 

 

 

    12)            Een informatieposter maken

 

 

 

    13)            Een artikel schrijven.

 

 

 

    14)            De presentatie voorbereiden (fiches maken)

 

 

 

    15)            De presentatie oefenen in het bijzijn van de begeleider

 

 

 

    16)            De presentatie houden

 

 

 

    17)            Het sectorwerkstuk beoordelen

                         a)            Het proces

 

 

 

                         b)            Het product.

 

 

 

                          c)            Het evaluatieformulier invullen

 

 

 

                         d)            De beoordeling ondertekenen

 

 

 

    18)            De terugblik

 

 

 

 

 

 

 

WERKWIJZER

SECTORWERKSTUK
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Een groep samenstellen en groepstaken verdelen.

 

De deelnemers zijn vrij om zelf groepen te maken bestaande uit drie  deelnemers.

Er zijn twee voorwaarden voor de samenstelling van groepen:

·        De deelnemers moeten in dezelfde sector zitten

·        Er moeten zowel jongens als meisjes in de groep zitten.

Haal een paraaf na het vormen van de groep.

 

De medewerkers van een groepje moeten om beurten enkele taken uitvoeren.

Deze taken moeten regelmatig gewisseld worden.

·        voorzitter
Hij zorgt dat er goed wordt samengewerkt en dat de taken eerlijk verdeeld worden..

·        vragensteller
Hij mag naar de docent gaan om hulp te vragen (de anderen niet). Hij geeft door aan de groep wat de docent heeft verteld.

·        tijdbewaker
hij zorgt dat iedereen tegelijk met de anderen op werkt
Als de hele groep klaar is, vraagt hij de docent om te komen paraferen.

·        materiaalbeheerder
hij haalt de spullen en verdeelt ze, en levert ze in

 

Taken verdeeld? Haal een paraaf.

Terug naar de inhoudsopgave

 

 


Stap 1: Het onderwerp bepalen en achtergrondinformatie verzamelen.

Inleiding

ü      Je krijgt een lijst met onderwerpen waaruit je kunt kiezen. Maar je mag ook een eigen onderwerp voorstellen aan je begeleidende docent. Vraag je tijdens de onderwerpkeuze af: Is het een actueel onderwerp? Heb ik er wat aan voor mijn latere beroep of opleiding? Past het bij mijn belangstelling? Heeft het onderwerp nog verbanden met een andere sector?

ü      Achtergrondinformatie verzamelen. Je zoekt een aantal bronnen. Je maakt uittreksels van die bronnen. Zo verkrijg je genoeg kennis om een onderzoek te kunnen starten.

ü      Als je er helemaal niet uitkomt dan ga je naar je begeleider.

Een onderwerp kiezen.

Jullie gaan eerst zelf een onderwerp kiezen doormiddel van brainstorming.

Dat doen jullie in twee ronden.

In eerste instantie zoeken we drie onderwerpen , waarvan er uiteindelijk één wordt gekozen.

De werkvorm hierbij is de rotonde.

Rotonde.

De deelnemers nemen een blaadje voor zich en schrijven hun naam op de bovenste regel.

daaronder schrijven zij twee of drie  onderwerpen die ze wel leuk zouden vinden. Elk idee is goed. Na afloop worden de blaadjes aan de documentatiemap toegevoegd.

De blaadjes worden nu naar de deelnemer aan de rechterkant doorgeschoven.

Die schrijft zijn naam op een nieuwe regel.

Hij leest wat er staat, en geeft commentaar op wat hij leest. Alleen: het commentaar mag niet negatief zijn!!!

Hij schrijft ook een nieuw onderwerp dat hem nu te binnen schiet op.

Dan worden de blaadjes weer doorgeschoven.

Als de deelnemers hun eigen blaadje weer voor zich hebben, besluiten zij of ze nog een ronde doen.

Als de groep besluit geen nieuwe ronde te doen, gaan de deelnemers gezamenlijk beslissen welk drie onderwerpen er in eerste instantie worden gekozen.

 

Beantwoord nu, op het blaadje, de volgende vragen met goede zinnen, waarin de vraag terugkomt. (voor elk onderwerp apart!)

      1.            Wat is het belang voor je opleiding?

      2.            In hoeverre is het een actueel onderwerp?

 

Doe het blaadje met de antwoorden in de gemeenschappelijke sectie van je documentatiemap.

Haal een paraaf.

Terug naar de inhoudsopgave

De tweede ronde:

Nu komt de tweede ronde van het brainstormen.

Neem drie grote vellen papier (flappen). Zet op elk papier een van de onderwerpen in het midden.

De groepsdeelnemers schrijven nu zoveel mogelijk woorden en begrippen op, die met het onderwerp te maken hebben. Alles wat je maar te binnen schiet, het kan niet gek genoeg zijn, is goed..

Als niemand meer iets kan verzinnen, gaan de deelnemers de onderwerpen beoordelen. Als het goed is, ontdekken de deelnemers vanzelf welk onderwerp bij nader inzien het beste is om aan te gaan werken.

Onderwerp gekozen? Haal een paraaf.

 

Oefeningen

 

Voordat we verder gaan doen we eerst een paar oefeningen.

Voor deze oefeningen haal je apart materiaal bij je begeleider.

 

Klaar met de oefeningen? Haal een paraaf.

Terug naar de inhoudsopgave

 

 

Zelf achtergrondgegevens verzamelen over je eigen onderwerp.

Een onderzoeksvraag kun je meestal het beste formuleren tegen de achtergrond van jouw kennis over het onderwerp. Die kennis haal je uit achtergrondinformatie.

De achtergrondinformatie geeft antwoord op vragen als:

Wat is het? Waar komt het voor? Hoe groot is het?

Zijn er ontwikkelingen aan de gang?

Eigenlijk is dit een soort beschrijvend vooronderzoek.

Raadpleeg per deelnemer drie bronnen. Laat je bronnen goedkeuren door je begeleider.

Maak aantekeningen per bron, en geef een bronvermelding.

Samenvattingen , uittreksels en aantekeningen moet in je documentatiemap komen, niet de bronnen zelf, ook geen kopieën van bronnen. Alleen met de hand geschreven materiaal. Het origineel komt in de documentatiemap in de sectie van de eigenaar van de map. Kopieën komen in de mappen van de andere deelnemers in de deelnemersecties.

 

Lees drie bronnen, maak samenvattingen en haal voor elk een paraaf.

 


Stap 2: De hoofdvraag opstellen

Inleiding

ü      Zonder een goede vraagstelling is het onmogelijk om een goed onderzoek te verrichten. Zorg er voor dat je vraagstelling niet te algemeen is.

ü      Kies binnen je onderwerp de hoofdvraag en zorg dat het zo’n vraag is dat je er ook deelvragen over kunt stellen. Zorg wel dat je de hoofdvraag kunt beheersen (dus niet een vraag waar iemand jarenlang universitair op zou studeren)

ü      Het is moeilijk om een onderzoeksvraag te formuleren als je helemaal niets weet van het onderwerp. Daarom ging je eerst achtergrondinformatie verzamelen.

 

 

Hoofdvraag en deelvragen opstellen.

Je gaat zelf een onderzoeksvraag opstellen over het onderwerp dat je groepje gekozen heeft.

Jullie stellen eerst een hoofdvraag op.

Daarna stellen jullie deelvragen op.

De deelvragen moeten antwoord geven op de hoofdvraag.

Het verschil tussen hoofdvraag en deelvragen is vaak moeilijk te begrijpen.

Denk aan het volgende:

·        Een hoofdvraag gaat altijd over heel veel

·        Een deelvraag gaat altijd over een klein beetje, maar altijd over een deel van de hoofdvraag.

 

Stel nu een hoofdvraag op over jullie eigen onderwerp:

Schrijf hem op een blaadje en doe het in je documentatiemap.

Klaar?? Haal een paraaf.

Terug naar de inhoudsopgave

Stap 3: De deelvragen opstellen

 

Deelvragen formuleren.

Verzin mogelijke antwoorden op de hoofdvraag en zet ze om in deelvragen.

(De vragen moeten gezamenlijk antwoord geven op de hoofdvraag.)

Een van de gekozen deelvragen moet geschikt zijn om onderzocht te worden met behulp van een interview.

Een van de deelvragen moet geschikt zijn om onderzocht te worden met behulp van een enquête.

De andere deelvragen moeten beantwoord worden aan de hand van allerlei bronnen, zoals : website, boeken, tijdschriften et cetera.

 

Stel nu 10 deelvragen op.

Schrijf ze op het blaadje met de hoofdvraag onder de hoofdvraag op.

Klaar?? Haal een paraaf.

Terug naar de inhoudsopgave

 


Beantwoord de volgende vragen met goede zinnen, waarin de vraag terugkomt.

 

      1.            welke hoofdvraag is er gekozen?

      2.            Waarom hebben jullie deze vraag gekozen?

      3.            Welke rol speelt de hoofdvraag bij je beroepskeuze?

      4.            Kies vijf deelvragen uit om mee verder te werken en leg uit, hoe je tot deze keuze bent gekomen.

  1. Kies welk soort onderzoek past bij het vinden van de antwoorden op de deelvragen.

 

Dit zijn de soorten onderzoek waaraan je kunt denken.

ü      Beschrijvend: je beschrijft een situatie;

“Wat doet van de burgemeester van Den Haag uit hoofde van zijn functie allemaal?”

ü      Vergelijkend: je ontdekt overeenkomsten of verschillen;

“Wat is het verschil tussen het werk van een directie-secretaresse en een administratief secretaresse?”

ü      Verklarend: je geeft antwoord op de vraag:”Hoe komt dat?”

“Hoe komt het dat er nu zoveel verschillende (gratis) internet-providers zijn?”

ü      Waardebepalend: je probeert een oordeel te formuleren over…

“Welke aanbieder van mobiele telefoons is het beste?”

ü      Voorspellend: je zoekt uit hoe het verder gaat met…

“Hoe denk je dat het verkeersprobleem in 2015 zal worden aangepakt?”

ü      Probleemoplossend: je doet voorstellen om probleem aan te pakken.
”Hoe kun je het aantal mensen in de WAO terugdringen?”

 

 

Doe het blaadje met de antwoorden op de vragen 1 t/m 5 in de gemeenschappelijke sectie van je documentatiemap.

 

Klaar?? Haal een paraaf.

Terug naar de inhoudsopgave

Stap 4: De presentatievorm kiezen

 

Inleiding

ü      Nu je onderwerp, de hoofdvraag en de deelvragen vaststaan, kies je een vorm van de presentatie. Je ziet bij het hoofdstuk “De presentatie” dat je kunt kiezen uit vijf mogelijkheden.

ü      Denk goed na en geef argumenten waarom je de ene vorm kiest en waarom die andere niet zo geschikt zijn voor je onderwerp.

ü      Kies wel een vorm waarvan je weet dat je het goed beheerst.

 

Beantwoord de volgende vragen met goede zinnen, waarin de vraag terugkomt.

 

      1.            Welke presentatievorm kiezen jullie?

      2.            Geef van twee vormen aan waarom je die niet kiest.

      3.            Geef uitgebreid aan waarom je voor deze vorm kiest?

      4.            Welke mogelijkheden zien jullie?

      5.            Wat zijn twee mogelijke nadelen van deze vorm?

      6.            Hoe kun je die voorkomen?

 

Doe het blaadje met de antwoorden in de gemeenschappelijke sectie van je documentatiemap.

 

Klaar?? Haal een paraaf.

Terug naar de inhoudsopgave

 

 

Stap 5: Een werkplan maken

Inleiding

ü      Nu pas ben je zover dat je kunt beslissen wat je gaat doen. Op welke manieren ga je gegevens verzamelen?  Zorg dat in je werkzaamheden om gegevens te verkrijgen in elk geval de volgende drie zaken zitten: een brief, een interview en een enquête.

ü      Zet alle activiteiten per deelvraag op een rij en geef aan hoeveel tijd het ongeveer zal kosten; maak in je schema ook duidelijk wie wat zal gaan doen – en geef aan wanneer de activiteit volgens afspraak klaar is;

ü      Zorg dat je veel werkzaamheden in de beginperiode plant; dan heb je later nog tijd om eventueel werkzaamheden in te halen.

 

Maak je werkplan voor het onderzoek zelf. Gebruik hiervoor het speciale formulier. In het werkplan moeten bijvoorbeeld de volgende onderdelen worden opgenomen:

q       Bronnen raadplegen en samenvatten

q       Interview opstellen, afnemen, uitwerken.

q       Enquête opstellen, afnemen, uitwerken.

q       Brief schrijven

q       Telefoneren en afspraken maken

q       Artikel schrijven

q       Informatieposter maken.

Klaar?? Haal een paraaf.


Stap 6 Het onderzoek uitvoeren en de deelvragen beantwoorden

Een vragenlijst maken voor een interview of een enquête.

Je moet van tevoren goed omschrijven wat je eigenlijk wil weten.

Dus welke deelvragen moeten er beantwoord worden aan de hand van de gegevens die je verkrijgt.

 

Bij een interview of enquête werk je altijd met z’n tweeën: de een stelt de vragen, de ander noteert de antwoorden.

 

Een interview neem je af bij een speciaal persoon, bijvoorbeeld de wijkagent. Je krijgt dan niet meer dan de mening van 1 persoon. De persoon moet terzake deskundig zijn.

 

Een enquête neem je af bij een bepaalde groep personen, bijvoorbeeld de bewoners van een wijk, of de klanten van een bepaalde winkel. Je kunt uit de gegevens van een enquête een meer algemene conclusie trekken.

Om betrouwbare resultaten te krijgen moet je veel personen ondervragen.

Bovendien moeten de ondervraagde personen een representatieve steekproef uit je doelgroep vormen.

 

Het interview/de enquête moet vragen naar feiten, meningen en argumenten, bijvoorbeeld:

·        Vindt U de stad/wijk leuk om in te wonen?
Doorvraag: Kunt U twee voorbeelden geven waarom dat zo is?

·        Heeft U last van het verkeer?
doorvraag: kunt U een voorbeeld geven?

·        Is er veel overlast van hangjongeren?
doorvraag: Kunt U twee voorvallen noemen?
doorvraag: Wat is volgens U de oorzaak?

·        Van welke wijkvoorzieningen maakt U gebruik?
doorvraag: Hoe vaak? (elke dak, 1x per week, 1x per maand?)

 

Maak gezamenlijk 20 vragen, elk met twee of drie doorvragen, voor een enquête en 20 voor een interview.

Maak een antwoordformulier.

Doe het blaadje met de vragenlijsten in de gemeenschappelijke sectie van je documentatiemap.

 

Als je klaar bent, haal je een paraaf.


De enquête of het interview afnemen en uitwerken

Contact maken.

Mensen aanspreken doe je beleefd, anders is niemand bereid je te woord te staan.

Mijnheer, mevrouw, wij doen een onderzoek naar ………………. Mogen wij U een paar vragen stellen?

Begin nooit met: “We moeten een sectorwerkstuk maken”.

Begin met: “Wij zijn geïnteresseerd in ················ “.

Bij een interview eerst telefonisch een afspraak maken.

Enquêteer 40 personen.

Introductie.

Nadat je toestemming hebt gekregen, vertel je eerst wie jullie zijn en waarom je dit interview/deze enquête wilt afnemen.

De vragen stellen.

Dit moet je goed voorbereiden.

Zorg dat je duidelijke vragen hebt.

Turf de antwoorden op een vragenlijst

Afscheid nemen.

Als je alle vragen gehad hebt, vraag je of de geïnterviewde/geënquêteerde nog iets extra’s wil zeggen. Zo ja noteer dat, en bedank de geïnterviewde/geënquêteerde.

Zo nee, dan bedank je de geïnterviewde/geënquêteerde.

De enquête, het interview uitwerken.

Bij een interview schrijf je de vragen netjes op, en het antwoord eronder.

Bij een enquête komt er meer om de hoek kijken.

Je moet de vragen netjes opschrijven. En de mogelijke antwoorden eronder.

Je moet turven hoe vaak een antwoord gegeven is. En dan het percentage uitrekenen en tenslotte een of meer conclusies trekken.

 

Klaar?? Haal een paraaf.

Terug naar de inhoudsopgave

Een brief opstellen en versturen

Je schrijft een zakelijke brief.

Dat kan bijvoorbeeld zijn een verzoek om een afspraak te maken voor een interview.

Of een verzoek om het toezenden van gegevens.

Of een verzoek om ergens een rondleiding te krijgen.

Het kan ook een bedankbrief zijn.

Wees creatief.

Het antwoord moet in de documentatiemap worden opgenomen.

Bronnen raadplegen.

 

Niet alle deelvragen kunnen beantwoord worden aan de hand van de uitkomsten van de enquête, of het interview. Dan moet je weer gaan zoeken, op internet, in boeken en tijdschriften, om de antwoorden te vinden.

Maak aantekeningen per bron en voeg de bronnen toe aan de bronnenlijst.


De beantwoording van de deelvragen

ü      Bij elke deelvraag laat je even aan je begeleider/docent zien wat je van plan bent en hoever je bent gekomen;

ü      Laat ook de door jou uitgezochte informatie, die je wilt gaan gebruiken, aan de begeleider zien.

Beantwoord de volgende vragen met goede zinnen, waarin de vraag terugkomt.

Doe dat voor elke deelvraag apart.

1.      Welke bronnen heb je gebruikt?

2.      Hoeveel tijd had je ervoor gepland?
Hoeveel tijd kostte het in totaal in werkelijkheid?

3.      Waarom pakte je het zó aan?

4.      Welke problemen ben je tegengekomen?
Hoe heb je deze problemen opgelost?

5.      Vat de verkregen gegevens erg kort samen

Doe het blaadje met de antwoorden in de gemeenschappelijke sectie van je documentatiemap.

 

Klaar?? Haal een paraaf.

Terug naar de inhoudsopgave

 

Stap 7: De conclusies uit je onderzoeksgegevens trekken

Inleiding

ü      Je hebt nu alle gegevens verwerkt en alle deelvragen van de hoofdvraag behandeld;

ü      Zet de conclusies die je kunt trekken overzichtelijk in logische volgorde onder elkaar.

ü      Geven de antwoorden van de deelvragen je ook inzicht in de beantwoording van de hoofdvraag?

ü      Maak een informatieposter waar al je conclusies op worden weergegeven. Met visualisaties!

ü      Is dit ongeveer wat je van te voren had gedacht? Bespreek de conclusies met je begeleider.

De beantwoording van de hoofdvraag.

Opdracht: zet alle conclusies op ‘volgorde’, eindigend met de belangrijkste conclusie. Je kunt hier ipv conclusies ook de resultaten van je onderzoek noemen.

Conclusie 1:

Conclusie 2

Conclusie 3:

Conclusie 4:

Conclusie 5 (belangrijkste conclusie)

Doe het blaadje met de conclusies in de gemeenschappelijke sectie van je documentatiemap.

 

Klaar?? Haal een paraaf.

Terug naar de inhoudsopgave

 

Je eigen mening formuleren.

Formuleer je eigen mening.

Geef argumenten voor en argumenten tegen je eigen mening.

Leg uit waarom je de argumenten voor het zwaarst laat wegen.

Klaar?? Haal een paraaf.


Een informatieposter maken.

Maak een informatieposter waarop je conclusies zijn weergegeven. De poster moet tekst en illustraties bevatten.

Tips voor het maken van een poster

Een poster moet aan een aantal eisen voldoen:

Hij  moet hij aantrekkelijk zijn voor het publiek.

Een poster moet uitnodigen er naar te gaan kijken. Bij een poster is dat extra belangrijk omdat bij een posterpresentatie meerdere posters tegelijkertijd vertoond worden. Als jou poster er beter uitziet dan die van je buurman/buurvrouw komt wat jij te vertellen hebt op de poster beter over. Wat opvalt wordt eerder opgemerkt en blijft langer hangen. Een aantrekkelijke maar toch informatieve poster moet een aantal elementen bevatten. Die staan hieronder opgesomd.

De indeling van een informatieve poster is meestal:

Titel

Aandachttrekkend element (zie voorbeeldposters)

Inleiding
In de inleiding komt te staan:
het onderwerp
de hoofdvraag en de deelvragen

 

Uitwerking
In de uitwerking komt te staan:
hoe je gewerkt hebt (wat voor soort onderzoek je gedaan dus enquête, interview, de resultaten (bij veel resultaten alleen de belangrijkste resultaten weergeven/vermelden).
Andere dingen uit de achtergrondinformatie over het onderwerp die je het vermelden waard vindt

Afsluiting
De afsluiting bestaat uit:
de conclusies (wat is de uitkomst van je onderzoek)
suggesties voor vervolg onderzoek eventueel kun je ook een bespreking in de afsluiting opnemen (wat ging goed en wat ging minder goed)

Andere nuttige tips bij het maken van de poster:

 

·        Begin met het maken van een plattegrond van de indeling op een A4 blaadje.

·        een poster moet niet te veel tekst bevatten en moet toch het hele verhaal wat je te vertellen hebt weergeven.

·        een poster moet er aantrekkelijk uitzien, gebruik daarom verschillende kleuren en plaatjes

·        houdt de poster overzichtelijk zodat iemand die naar jouw poster komt kijken direct ziet wat je gedaan hebt en wat de resultaten zijn. Gebruik daarvoor onder andere tussenkopjes.

·        vergeet niet op de poster te vermelden wie de poster gemaakt heeft

·        werk met blokjes tekst; blokje ‘inleiding’, blokje ‘resultaten’ etc. Verdeel de tekst tussen de tabellen, grafieken en plaatjes. Het best kun je de verschillende teksten, grafieken, tabellen en plaatjes op A4-formaat uitprinten/kopiëren en verdelen over de poster.

·        Zorg ervoor dat de tekst zo groot is dat je de poster van een meter of twee kunt lezen

De poster van jou en de posters van je medeleerlingen worden opgehangen tijdens de presentaties. Er wordt dan van je verwacht dat je desgewenst uitleg geeft bij je poster. Hoe duidelijker de poster hoe minder kans er is op misverstanden en de daarbij komende vragen.

Aan welke eisen moet de poster voldoen?

 

De Inhoud
Ja
Nee

Wat het onderwerp is

 

 

Wat de hoofdvraag is

 

 

Welk onderzoek er is gedaan.

 

 

Wat de resultaten zijn

 

 

Wat de conclusie is. (antwoord op de hoofdvraag)

 

 

De namen van de deelnemers

 

 

 

 

 

De vormgeving
 
 

De indeling is overzichtelijk

 

 

Er is een aandachttrekkend element

 

 

Er is gebruik gemaakt van illustraties.

 

 

Alles ziet keurig verzorgd uit

 

 

De teksten zijn op een afstand van twee meter duidelijk te lezen

 

 

Klaar?? Haal een paraaf.

Terug naar de inhoudsopgave

Een artikel schrijven.

 

Een artikel  moet als volgt ingedeeld zijn:

Titel: de hoofdvraag

Inleiding: motivatie voor het onderzoek, deelvragen

Werkwijze: wat er gedaan is en hoe.

Resultaten: feiten die aan het licht zijn gekomen.

Bespreking: de conclusies die getrokken zijn, de meningen die je gevormd hebt, alle goed beargumenteerd.

Bronnenlijst.

 

Schrijf het artikel in de derde persoon, wees zakelijk.

Klaar??  Doe het artikel in je documentatiemap en haal een paraaf.

 


Stap 8: De voorbereiding van de presentatie

Inleiding

ü      Hou je je aan de presentatievorm van stap 4 of neem je bij nader inzien een andere vorm?

ü      Inventariseer welke werkzaamheden je allemaal nog gaat verrichten om de presentatie tot een succes te maken;

ü      Maak een aantal spiekkaarten met aandachtspunten voor gebruik tijdens de presentatie.

ü      Maak een goede taakverdeling voor alle werkzaamheden;

ü      Hou er rekening mee dat de afwerking en de verzorging van een presentatie erg veel tijd kan kosten.

ü      Hou er met je verdeling van werkzaamheden rekening mee dat de presentatie ook doorgaat als één lid van de groep die dag onverwacht erg ziek is.

ü      Let bij je voorbereiding op de tijd die je hebt voor je presentatie;

ü      Lees niks voor, spreek uit het hoofd, aan de hand van de aandachtspunten op je spiekkaarten

ü      Oefen de presentatie meerdere malen, met je begeleider erbij.

ü      Zorg dat je ruim op tijd klaar bent met de voorbereiding

 

 

De mogelijkheden

Er zijn vier mogelijkheden om het resultaat van je werk te presenteren:

  1. Een PowerPoint presentatie;
  2. Een dia presentatie;
  3. Een spreekbeurt met…
  4. Een poster presentatie

Je krijgt als groep 6(maximaal 9) minuten om de resultaten van jullie werk te presenteren.  Als je op de volgende bladzijden de beoordelingscriteria ziet bij elk van de vijf mogelijkheden, heb je meteen een idee waar je publiek (inclusief de beoordelende docenten) op zal letten bij de beoordeling. Hieronder een korte toelichting:

  1. De PowerPoint presentatie: Je houdt een presentatie met behulp van PowerPoint. Je maakt een hand-out en gebruikt minimaal 15 dia’s, inclusief de titelpagina en de slotpagina.
  2. De diapresentatie: Je houdt je presentatie aan de hand van dia’s die je hebt gemaakt – die zowel kunnen gaan over het onderwerp als over je manier van werken. Je gebruikt tussen de 12 en 15 dia’s.
  3. Een spreekbeurt met… Je houdt een spreekbeurt en je ‘gebruikt’ daarbij iets speciaals: dat kan een demonstratiemodel zijn, een technische opstelling, een bewoner van het bejaardentehuis waar je onderzoek verrichtte, een fotocollage, een beroepsbeoefenaar, enz.,
  4. Een posterpresentatie: de belangrijke onderdelen van je werk staan op posters en zijn tot drie meter goed zichtbaar. Tijdens je toelichting verwijs je naar de posters.

Welke mogelijkheden passen wel, en welke niet bij het onderzoek.

Voer je onderzoek stap voor stap uit. Als je weet hoe het onderzoek verloopt, kun je gaan nadenken over de vorm waarin je je werk zult presenteren. Niet elke vorm is voor elk onderzoek even geschikt. Hou er ook rekening mee dat de ene vorm veel meer tijd kost dan de andere, en… je moet je gekozen vorm ook wel enigszins beheersen.

Hoe organiseert Terra vmbo tg de presentaties?

In de maand januari 2005 organiseert de school een of meer dagen  een presentatiefestival waarop alle leerlingen van klas 4tg hun presentatie houden. We nodigen daar ook alle ouders en leerlingen van klas 3tg voor uit. En natuurlijk alle docenten. De presentaties zijn in de aula van de school, dus je gebruikt microfoon. Je zorgt dat elk groepslid aan het woord komt.

 

De voorbereiding van de presentatie

1.      Welke presentatievorm nemen jullie?

2.      Maak werkzaamhedenlijst; wie doet wat wanneer?

3.      Welke onderdeel/welke onderdelen verzorg jij?

4.      Maak “spiekkaarten” voor wat je gaat vertellen.

5.      Maak geen teksten om voor te lezen.

6.      Oefen de presentatie, zorg dat je een ruim van tevoren klaar bent voor de presentatie zelf..

Doe het blaadje met de antwoorden in de gemeenschappelijke sectie van je documentatiemap.

 

Klaar met de voorbereidingen? Haal een paraaf.

Terug naar de inhoudsopgave

 

Stap 9 De presentatie

ü      Controleer alles; zorg dat alles klaar is op de schooldag voordat je de presentatie gaat houden;

ü     Zorg dat alle materiaal op school is en dat je alles hebt uitgeprobeerd;
Voer de presentatie uit. Haal een paraaf.

Terug naar de inhoudsopgave

Stap 10: De evaluatie van je werkzaamheden

1.     Vul het evaluatieformulier in;

2.     Vul het ormulier “Terugblik” in. ; lees goed de aanwijzingen vooraf.
Haal een paraaf

Terug naar de inhoudsopgave

3.     Berg alles op in je eigen sectie van je documentatiemap.

Klaar?? Haal een paraaf.

Terug naar de inhoudsopgave

 

Stap 11: De beoordeling door de docent

1.     Bespreek met je begeleider en de beoordelaars van je sectoronderzoek hun beoordeling.

2.     Zet na akkoordverklaring je handtekening linksonder de beoordelingslijst sectoronderzoek.

Klaar?? Haal een paraaf.

Terug naar de inhoudsopgave